Predispositie van het slachtoffer komt voor rekening van de dader

Nicolien Verhoeks
Partner, Advocaat & Schaderegelaar

De Rechtbank Den Haag deed op 20 mei 2026 uitspraak in een zaak over de civielrechtelijke aansprakelijkheid voor het overlijden van een slachtoffer (ECLI:NL:RBDHA:2026:15374). Hoe wordt omgegaan met het smartengeld en de predispositie van het slachtoffer?

Overval en letselschade

In de nacht van 5 op 6 maart 2024 is het slachtoffer in het ziekenhuis terechtgekomen met ernstig letsel aan beide knieën, waaraan hij moest worden geopereerd. Dit letsel had hij opgelopen toen hij probeerde weg te vluchten van gedaagde, die hem op dat moment met anderen in zijn woning aan het beroven was. Na de knieoperatie zijn complicaties opgetreden, waaraan het slachtoffer op 16 maart 2024 is overleden. Gedaagde is strafrechtelijk veroordeeld voor onder meer de beroving en het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De strafrechter overwoog dat de dood van het slachtoffer niet redelijkerwijs kan worden toegerekend aan het handelen van gedaagde en sprak hem van dat gevolg partieel vrij.

Het causaal verband

De rechtbank oordeelt dat gedaagde in civielrechtelijke zin tegenover het slachtoffer aansprakelijk is voor diens overlijden. Wegens de aard van de gedragingen van gedaagde en de aard van de schade van het slachtoffer ziet de rechtbank redenen voor een ruime toerekening. Als gedaagde het slachtoffer niet had beroofd, had het slachtoffer niet van hem hoeven vluchten en zonder de val was er geen operatie nodig geweest om het knieletsel te herstellen. Zonder de operatie zouden de complicaties niet zijn opgetreden. Volgens vaste rechtspraak komt een zwakke gesteldheid van een slachtoffer in het civiele recht voor rekening van de dader. Dit noemen we de predispositie van het slachtoffer. Er bestaat dus causaal verband tussen het tijdens de beroving toegebrachte knieletsel en het latere overlijden van het slachtoffer (HR 12 september 1978, NJ 1979/60 (Massale Longembolie); HR 23 december 1980, NJ 1981/534 (Aortaperforatie) en HR 7 mei 1985, NJ 1985/821 (Haarlemse doodslag).

Het vererfde smartengeld

De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van vererfd smartengeld af. De aanspraak van een benadeelde op smartengeld heeft een hoogstpersoonlijk karakter en de benadeelde moet zelf laten blijken dat hij genoegdoening wenst. Zie ook PHR 22 april 2025, ECLI:NL:PHR:2025:483 (vanaf randnummer 4.65 e.v.) bij HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1055, (randnummer 4.5.2). Het feit dat nog geen verdachten in beeld waren toen het slachtoffer nog leefde, neemt niet weg dat het slachtoffer na de operatie en de eerste tekenen van postoperatieve complicaties nog bewust en bij zinnen is geweest. De in de jurisprudentie aanvaarde uitzondering voor slachtoffers die na de schadeveroorzakende gebeurtenis niet meer bij bewustzijn zijn geweest, is daarom in deze zaak niet van toepassing. Dat geldt temeer omdat het slachtoffer bij bewustzijn wel heeft aangegeven aanspraak te maken op andere vormen van schadevergoeding.

De partneralimentatie

De rechtbank wijst de vordering van de ex-echtgenote tot vergoeding van weggevallen partneralimentatie af. Artikel 6:108 BW beperkt de kring van gerechtigden tot degenen in wiens levensonderhoud de overledene voorzag. De rechter moet de kring van benadeelden strikt uitleggen. De ex-echtgenote heeft geen vorderingsrecht op grond van artikel 6:108 lid 1 sub b BW. Zie ook de de wetsgeschiedenis: MvA I Inv., Parl. Gesch. Inv. 3, 5 en 6 Boek 6 1990, p. 1315.

In contact komen?

Kom zo snel en gemakkelijk in contact met de auteur

Meer lezen

arrow
arrow