Rechtbank Midden-Nederland d.d. 23 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1601

Nicolien Verhoeks
Partner, Advocaat & Schaderegelaar
Wat is er gebeurd?

Op 18 juli 2024 heeft betrokkene letsel opgelopen door een verkeersongeval in Dronten. Univé heeft de aansprakelijkheid voor dit ongeval erkend.
In de periode na het ongeval heeft Univé ongeveer €14.000,- aan voorschotten op schadevergoeding uitgekeerd, waaronder €2.000,- aan smartengeld.

Het geschil tussen partijen

Betrokkene vindt dat zijn schade substantieel hoger is dan deze voorschotten en vordert daarom €30.000,- als aanvullen voorschot op de schadevergoeding.

Univé betwist dat de schade van de betrokkene de voorschotten overstijgt en vraagt de rechter de vordering af te wijzen.

Oordeel rechter

De vordering tot betaling van €30.000,- wordt afgewezen.

Medisch

Er bestaat volgens de rechter geen aanleiding om te twijfelen aan de door betrokkene vervaren klachten. Echter is het op dit moment niet voldoende aannemelijk dat deze klachten uitsluitend zijn te herleiden tot het ongeval.
In het kader van het re-integratietraject is vóór het ongeval op 11 juni 2024 en ná het ongeval op 14 februari 2025 een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld door het UWV. Hieruit blijkt dat er voor het ongeval al sprake was van klachten en beperkingen, en dat de beperkingen na het ongeval zijn toegenomen. Dit roept de vraag op welke beperkingen het gevolg zijn van het ongeval en welke al voor het ongeval bestonden. Ook deze vraag behoeft beantwoording voordat een reële analyse te maken valt van het verlies aan verdienvermogen als gevolg van het ongeval.

Loon

Er bestaat onzekerheid over het verdienvermogen van betrokkene voorafgaand aan het ongeval en over zijn te verwachten verdienvermogen als het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden. Voorafgaand aan het ongeval was er sprake van een weinig constant arbeidsverleden. Ook de niet-fiscaal verantwoorde kluswerkzaamheden die betrokkene verrichtte en daarmee ongeveer €2.500,- per maand verdiende is volgens de rechter onvoldoende onderbouwd.

Het te verwachten verdienvermogen zonder ongeval kan momenteel niet voldoende worden vastgesteld. Weliswaar heeft betrokkene een mail overgelegd waarin zijn broer een concreet salaris voorstelt voor werkzaamheden, maar dit is onvoldoende om ervan uit te gaan dat betrokkene deze werkzaamheden daadwerkelijk en duurzaam kon uitvoeren. Uit de verslagen van de huisbezoeken blijkt dat betrokkene op 24 oktober 2024 en 12 november 2024 heeft aangegeven dat hij overwoog bij zijn broer te werken, maar hij heeft daarbij niet de concrete plannen verteld die uit het mailbericht van zijn broer van 28 juni 2024 blijken. In de documentatie over de re-integratiebegeleiding door het UWV wordt wel vermeld dat betrokkene eventueel bij zijn broer wilde werken, maar over deze wens wordt niets concreets vermeld waaruit zou kunnen blijken dat hij die werkzaamheden daadwerkelijk kon gaan doen. Daarom kan de rechter op dit moment niet vaststellen dat het de redelijke verwachting was dat betrokkene per 2 september 2024 aan het werk zou gaan voor het door hem gestelde aantal uren per week en gestelde salaris.

Tot slot

Om te beoordelen welke klachten het gevolg zijn van het ongeval en welke klachten reeds voor het ongeval bestonden, is nader medisch onderzoek nodig. Partijen zijn het hierover eens. Van Univé mag verwacht worden dat zij hier een initiatief toe neemt en daar voortvarend werk van maakt, om te voorkomen dat de afwikkeling van de schade lang duurt en zoals thans het geval lijkt helemaal stil komt te liggen.

Univé kan zich niet beroepen op het ontbreken van onafhankelijk deskundigenonderzoek omdat het vanwege de door haar erkende aansprakelijkheid ook aan haar is om dat de faciliteren. Hoewel zij heeft aangevoerd dat zij nog medische informatie mist, lijkt dat op het eerste gezicht slechts in beperkte mate het geval te zijn. En voor zover Unive meent onvoldoende informatie te hebben, is het aan haar om betrokkene daar duidelijk om te verzoeken.

Tegelijkertijd is niet gebleken dat Univé betrokkene volledig heeft geïnformeerd over de door haar ingewonnen medische adviezen.

Conclusie

Aldus bezien meent de voorzieningenrechter dat de lange duur van de afwikkeling van deze letselschadezaak en de gevolgen die dat voor betrokkene heeft, in overwegende mate ook te wijten zijn aan Univé. Concluderend verklaard de rechter dat er niet genoeg bewijstukken zijn die de hogere schadekosten kunnen vaststellen. Univé wordt in zijn gelijk gesteld.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1601

In contact komen?

Kom zo snel en gemakkelijk in contact met de auteur

Meer lezen

arrow
arrow