


In een deelgeschilprocedure ex artikel 1019w Rv verzocht een motorrijder de rechtbank Zeeland-West-Brabant voor recht te verklaren dat de politie en haar WAM-verzekeraar aansprakelijk zijn voor de gevolgen van een ongeval dat hij opliep tijdens een politieachtervolging. De rechtbank wees de verzoeken integraal af. Namens de politie en onze cliënt, de WAM-verzekeraar, voerde Patricia Born het verweer.
In de nacht van 29 mei 2022 wilde de politie de motorrijder na een melding van geluidsoverlast staande houden en gaf zij een stopteken. De motorrijder gaf daaraan geen gehoor en reed met hoge snelheid door, waarna de politie de achtervolging inzette en optische en geluidssignalen voerde. Kort daarna verloor de motorrijder in een bocht de macht over het stuur, botste tegen een geparkeerde auto en liep ernstig letsel op. Er is geen contact geweest tussen het dienstvoertuig en de motor. Een onderzoek van de Rijksrecherche leidde tot een sepot. Het daartegen ingestelde beklag ex artikel 12 Sv werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch afgewezen.
De motorrijder baseerde zijn verzoek op artikel 6:162 jo. artikel 6:170 BW. Primair stelde hij dat de politie in strijd had gehandeld met artikel 5 en 6 WVW, subsidiair met de Regeling optische en geluidssignalen 2009 en de daarop gebaseerde Brancherichtlijn Politie 2021, althans met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm.
De rechtbank kwalificeerde het ongeval als eenzijdig. Er was geen aanrijding met het dienstvoertuig en de motorrijder hoefde geen uitwijkmanoeuvre te maken om een botsing te voorkomen. Hij naderde de bocht met te hoge snelheid en verloor bij het remmen de controle. Het ongeval is daarom niet te wijten aan de schuld van de bestuurder of de bijrijder, zodat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 6 WVW. Evenmin heeft de bestuurder het verkeer in gevaar gebracht of hinder veroorzaakt in de zin van artikel 5 WVW.
De rechtbank stelde voorop dat een overtreding van de Brancherichtlijn niet zonder meer een onrechtmatige daad jegens de motorrijder oplevert, maar hooguit een aanwijzing kan zijn voor onzorgvuldig handelen. Dat de agenten de meldkamer niet om toestemming hadden gevraagd voor het voeren van de signalen, leverde in dit geval geen schending op. Er deed zich de bijzondere situatie voor waarin van de richtlijn mag worden afgeweken. Gelet op de vluchtende motorrijder, de duisternis en de gereden snelheid ontbrak de tijd om toestemming af te wachten. De afwijking voldeed aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, en de beperkte snelheidsoverschrijding diende ertoe het kenteken te kunnen aflezen. Doorslaggevend was dat de afwijking niet aan het ontstaan van het ongeval heeft bijgedragen.
Het betoog dat geen sprake was van een dringende taak verwierp de rechtbank. Het wegrijden na een stopteken vormde een voldoende ernstige verstoring van de openbare orde die een directe inzet rechtvaardigde. Ook het verwijt dat de motorrijder zou zijn opgejaagd hield geen stand. Nadat het kenteken was afgelezen nam de politie gas terug en liep de motor uit. Bovendien verdroeg dat verwijt zich slecht met de stelling van de motorrijder dat hij de signalen pas vlak voor de bocht had waargenomen.
De slotsom is dat geen onrechtmatige daad is komen vast te staan en dat het vereiste causaal verband ontbreekt. De rechtbank wees de verzoeken tot vaststelling van aansprakelijkheid en tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten af. De kosten van het deelgeschil begrootte zij op grond van artikel 1019aa Rv op € 4.590 inclusief btw, vermeerderd met € 90 griffierecht (17 uur tegen een uurtarief van € 270). Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, volgde geen veroordeling tot betaling. Dat bedrag is alleen verschuldigd indien de aansprakelijkheid alsnog wordt vastgesteld.
De beschikking bevestigt dat schending van de Brancherichtlijn op zichzelf geen onrechtmatige daad jegens de vluchtende bestuurder oplevert en slechts een gezichtspunt vormt binnen de zorgvuldigheidstoets. Beslissend is uiteindelijk de causaliteit. Ook als van de richtlijn was afgeweken, ontbrak het verband tussen het politieoptreden en de eenzijdige val. Verder illustreert de uitspraak de grenzen van het deelgeschil. De procedure leent zich niet voor nadere bewijslevering door getuigen of deskundigen, zodat de rechtbank uitging van de feiten zoals die uit het proces-verbaal, de bodycambeelden en de artikel 12 Sv-beschikking van het hof volgden. Voor de verweerder onderstreept dit de waarde van het vasthouden aan de in de strafrechtelijke kolom vastgestelde toedracht.
Namens de politie en onze cliënt voerde Patricia Born het verweer dat de rechtbank op alle grondslagen volgde.
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:4424.
